Jozina (een rapsong)

(Jozina, Jozina, Jozina,
kom dans nog een keertje met mij
Jozina, Jozina, Jozina,
dan maak je mijn hartje zo blij)

Jo zina wat ben jij verkeerd
je hebt alles verworpen wat je pa je heeft geleerd
je bent verdorven, afgezworven,
je eergevoel is duizend en een doden gestorven,
en nu het te laat is, geef je je lijf aan witte mannen
die ons boek verbranden, neonazi’s
die niet weten waar ons kalifaat is, alleen weten waar de haat is,
je bent op de straten en men zegt je weet van wanten
maar er is vuil aan je handen
ik doe mijn ogen dicht en zie je met de duivel dansen!

(Jozina, Jozina, Jozina,
kom dans nog een keertje met mij
Jozina, Jozina, Jozina,
dan maak je mijn hartje zo blij)

Jo zina ja mijn hart doet pijn,
je bent onrein, onheilig als een zwijn,
en het schijnt je niet te deren, je denkt niet aan bekeren,
je wilt niets leren, nee je neemt het ervan
in plaats van Ramadan doe je rammen dan
en de schande zit je in het bloed,
je denkt te weten wat je doet, maar je weet niet wat je doet,
je wilt geen vergeving, je wilt geen nieuwe kans,
want in jouw beleving kleeft geen kwaad aan deze dans!

(Jozina, Jozina, Jozina,
kom dans nog een keertje met mij
Jozina, Jozina, Jozina,
dan maak je mijn hartje zo blij)

Jo zina maak je borst maar nat,
je dacht toch niet dat ik een broer ben die vergat
dat jij een hoer bent, een sloerie eerste klas.
Ja ik heb alles gezien en ik zag genoeg,
en nu is het genoeg, ik sta bij je kroeg.
Jo zina ik sta op de loer en ik tuur,
ik hoor de kerkklok, hij slaat je laatste uur.
De muziek klinkt luider, maar niets is luider dan mijn besluit,
nog even en je komt naar buiten,
en het liedje is uit!

(Jozina, Jozina, Jozina,
kom dans nog een keertje met mij
Jozina, Jozina, Jozina,
dan maak je mijn hartje zo blij)

Advertenties

2011

hier is een vorstin vermoord.
er vielen veren. dwarreldood.
men noemt het revolutie.

rebellen slaan een dekbed uit
een boetekleed. het jaar is wees
van tweeënveertig vaders.

de kleinzoon die de groene maan
zag in zijn slaap krijgt stuipen
en struikelt over je afwezigheid.

volgens fonkelnieuw beleid
wordt hij kaalgeplukt getoond aan
volgers van de dekbedwet:

god is groot en wij zijn knecht
en gedood worden in vrijheid
is voorwaar een mensenrecht.

Virginia Creeper

je noemde me parthenocissus toen je nog
van rood hield en ik nog van vruchten dragen.
herfst vierentachtig. dansen door de dagen.
tot jij, je handen reeds vol weerhaken, een klok

hing aan de muur die ik royaal bevolkte.
hij luidde wintertijd. van drie terug naar twee:
een duif vloog uit mijn bladeren en tolde
nog wat rond onze adem – en bezweek.

tweeduizend twaalf. mijn rood nog immer heller
dan ’t roestig uurwerk onder ’t welig lover.
geen nok te hoog. nog altijd groei ik sneller
dan jij verzandt. je komt me nooit te boven:

de jaargetijden vagen maar ik blijf
je lust. je last. je wilde wingerdwijf.

11 en 12 oktober 2014

Tineke (Celia)

Tineke is vijfenzestig.
Maar haar blik nog zeventien.
Jong is wat haar ogen willen,
Oud wat ze al heeft gezien.

Resultaat van onbegrip
Leeft ze tussen wal en schip:
Te speels voor eerbiedwaardigheid,
Te oud voor euvelmoedigheid!

*

Celia, we know, is sixty-five,
Yet Celia’s face is seventeen;
Thus winter in her breast must live,
While summer in her face is seen.

How cruel Celia’s fate, who hence
Our heart’s devotion cannot try;
Too pretty for our reverence,
Too ancient for our gallantry!

(Alexander Pope, 1688-1744)

De vreemdelinge

Het was de laatste dag van de winter die als de warmste sinds 1901 de boeken in zou gaan. Zodra het hek voldoende ruimte bood, stuurde hij zijn antieke Volvo behendig de parkeergarage in. Meestal lukte hem dit na acht seconden, corresponderend met acht tikken van in de muur verdwijnend staal – maar hij zwoer al weken dat hij zijn wagen ooit binnen zeven seconden door de opening zou manoeuvreren, of binnen hoeveel-dan-ook minder dan acht.
In zijn vak telden duizendsten. Elke fractie van een eenheid minder dan perfect betekende een potentieel fiasco.

Terwijl hij de lift naar de vierde etage nam, bedacht hij dat Angelica afwezig was. Hij voelde zich op slag een beetje korzelig. Het ging te ver hem afhankelijk te noemen, maar feit was dat de dingen wankeler waren zonder haar, en minder sprankelend.
“Even iets regelen”, had ze de vorige dag in zijn deuropening gezegd.
In de vijf maanden dat ze voor hem werkte, was hij gewend geraakt aan haar semi-nonchalante, semi-mysterieuze mededelingen.
“Doe niets wat ik ook niet zou doen”, had hij daarom luchtig geantwoord.
Onmiddellijk vonkte er iets in haar hazelnootkleurige ogen.
“Ik denk dat ik regelmatig iets doe wat jij niet zou doen en ik zal je ook vertellen waarom. Omdat ik veel minder te verliezen heb dan jij.”
Toen was ze verdwenen, gevolgd door de wolk van haast tastbare waakzaamheid die haar meestentijds omgaf.

Hij was gaan uitkijken naar de momenten waarop ze vlam vatte. Soms probeerde hij ze zelfs te triggeren door haar uit te dagen, zij het enkel verbaal. Ze was niet het soort meisje voor lichtzinnigere uitdagingen, en hij was er nog niet uit of dat hem diende op te luchten of juist diende te beangstigen. Het terrein dat Angelica zo moeiteloos betrad, was tot voor kort Gertrude’s territorium geweest, en iets zei hem dat ze slim genoeg was om dat ten volle te beseffen. Ze scheerde langs grenzen met hetzelfde gemak waarmee hij opponenten pareerde: haarscherp en razendsnel, doch zonder ooit uit de bocht te vliegen, zonder ooit het hek te raken.

Zijn kantoor rook naar gisteren. Hij gooide een raam open, liet het geraas van auto’s binnen. Daar bovenuit rinkelde zijn telefoon.
“Ja?”
“Er is iemand voor het spreekuur. Een Engelse dame.”
“Engels? Of alleen Engelstalig?”
Hij verafschuwde linguïstieke onzorgvuldigheid, meer dan wat dan ook.
“Weet ik veel, jezus Gijs. Ze is Turks of zo, of Arabisch. Een vreemdelinge.”
Aha. Een vertegenwoordigster van de minst representatieve categorie. Ze hadden de ondernemingsrechters, dat waren de besten want het meest lucratief. Op de tweede plaats kwamen de personen- en familierechters, bij wie ook nog wel eens wat te halen viel, en dan had je nog de vrijwel altijd toevoegingsgerechtigde vreemdelingen en gekken, hoewel die laatste twee elkaar niet zelden overlapten.
“Stuur maar naar Arthur. Ik doe geen vreemdelingen.”
“Arthur is er niet en ze vroeg speciaal naar jou.”
“Dan is ze bar slecht geïnformeerd. Enfin, vooruit dan maar, ik zal zorgen dat ze gauw weer buiten staat.” Buiten zijn kantoor en wellicht ook buiten ’s lands grenzen.

Haar ogen waren omgeven door een waas van donkerpaarse oogschaduw en ook haar lippen waren paars. Voor het overige was ze geheel in het roze. In haar kledingstijl herkende hij de Turkse vrouwen van middelbare leeftijd die, veelal op zoek naar een excuus voor de continuering van hun ter discussie staande bijstandsuitkering, flegmatisch de weg naar zijn kantoor vonden: een samenraapsel van fletse vormloosheid. Maar deze dame oogde jonger, en op haar oversized trui stond in naar rood neigend roze: I make jehulallah’s of broken hallelujah’s.
Zijn gekkendetector ging af.

“Aïcha”, zei zij met omfloerste stem.
“Neem plaats”, zei hij in het Engels, en toen: “Waarmee kan ik u van dienst zijn?”
Ze plukte aan haar hoofddoek.
“U vraagt zich vast af waarom ik volledig in het roze ben.”
“Dat kon u meevallen.”
“Roze”, legde zij niettemin uit, “wordt beschouwd als het ultieme cliché door mensen die het daadwerkelijke cliché onder het tapijt wensen te houden. Dat”, ze wees naar zijn toga die sinds jaar en dag aan de zijkant van zijn dossierkast hing, “het tenue van predikanten en advocaten, van waarheidsverkondigers en waarheidsverdedigers. Bij voorkeur hun eigen waarheid. Dat is het werkelijke cliché.”
Zwijgend liet hij haar stoom afblazen. De ervaring had hem geleerd dat doorgaans eerst de druk van de ketel moest alvorens hij tot de kern kon komen van wat schuilgaat achter allerhande verontwaardiging en frustraties.
“Desondanks bent u naar mij toegekomen”, zei hij effen, en herhaalde: “Waarmee kan ik u van dienst zijn?”

“Ik kom uit Oman”, zei ze, alsof dat alles verklaarde.
Hij probeerde het golfstaatje op de juiste plek te projecteren, wat niet meeviel.
“Maar oorspronkelijk kom ik uit een ander land. Ik wil u graag vertellen over dat land. Over het land van mijn vader.”
Ze zei het een beetje ademloos, alsof ze op het punt stond hem een staatsgeheim toe te vertrouwen.
Hij wist nu zeker dat ze gek was. Het soort gek dat je confronteert met de verrukkelijke werkelijkheid van je eigen gezonde verstand. Haar gefluister had iets fascinerends, en opeens wilde hij horen wat ze te zeggen had. Hij hield zichzelf voor dat hij niets te verliezen had als hij een clandestien uitstapje maakte naar de wereld van de gek, de wereld waarin in het roze gehulde vrouwen jehulallah’s van gebroken hallelujah’s maken, de wereld waarin hekken zich in minder dan acht seconden openen en waarin hij Angelica consequentieloos kan zeggen dat hij van haar houdt.

“Mijn vader was een leider zonder titel. Hij was geen koning, geen president, geen premier. Hij leidde zijn land van onderaf, als een omgekeerde piramide. De werkelijke macht lag bij het volk. Om te beginnen bij de lokale volkscongressen en vervolgens bij de meer regionale volkscommissies. Zij bestuurden en beslisten, en mijn vader, de wijze revolutionair, reikte slechts handvatten aan.”

Hij knikte, voornamelijk om haar aan te moedigen door te gaan. Ze klonk volslagen gek maar niet volledig dwaas, en leek daarbij behoorlijk eloquent. Hij was graag een sterk verhaal rijker.

“Deze manier van leidinggeven, deze meest pure vorm van democratie, maakte het land dat in 1951 nog als het armste ter wereld gold, in enkele decennia het meest welvarende van het continent. De bevolking genoot een scala aan unieke voorrechten die nergens anders ter wereld bestonden, zelfs niet in Tito’s Joegoslavië, waar het principe van zelfmanagement voor het eerst werd gelanceerd.

Zo was er”, ze hief haar met goud omringde vingers op, gereed om de veronderstelde voorrechten te specificeren, “gratis elektriciteit, gratis onderwijs en gratis gezondheidszorg voor iedereen. Ook opleidingen in het buitenland werden volledig gesubsidieerd. Wie een lening afsloot, hoefde geen rente te betalen. Dat was mogelijk omdat het land zijn eigen banken had, zonder welke buitenlandse belanghebbenden dan ook. Het bezit van een huis was een grondrecht, waardoor er geen daklozen bestonden. Ieder pasgetrouwd stel ontving vijftigduizend dollar van de staat. Bij de geboorte van elk kind kregen zij nog eens vijfduizend dollar. En een deel van de opbrengst van de olieverkoop van het land werd direct bijgeschreven op de bankrekeningen van alle burgers.”

“Financieel Utopia dus”, glimlachte hij. “Uw vader heeft de zaakjes goed voor elkaar in dat land van hem, nietwaar?”

“Hád”, corrigeerde haar fluisterstem. “Hij ging verder en verder. Hij had een droom. Een droom van een sterk, verenigd, onafhankelijk continent. Een droom waarin de bevolking, de mannen en de vrouwen, zich eindelijk zouden ontdoen van de ketenen van imperialisme en inferioriteit. Meer en meer begon hij die droom te verwezenlijken… en dat pikten ze niet!”

Ze pauzeerde even.
“Zij, de Westerse machten die zich bedreigd voelden door mijn vaders droom. Negen maanden lang hebben ze zijn land gebombardeerd, terwijl mensen zoals u, de zogenaamde waarheidsverkondigers en de zogenaamde waarheidsverdedigers, leugens rondstrooiden die moesten rechtvaardigen dat een welvarende, soevereine natie werd vernietigd. En nu is mijn vader dood en het land ligt in puin.”

“Juist.” Het woord bleef steken in zijn keel, verwerd tot een misplaatste klank. Hij kuchte het weg en besloot dat het tijd was om de gekkenwereld te verlaten.
“Interessant verhaal. Heel interessant. En nu wilt u hier asiel aanvragen, neem ik aan?”

Zij schudde haar hoofd. Haar bovenlichaam deinde mee. Roze zijde danste van links naar rechts.
“Mijn missie is slechts om u te laten horen wat u zojuist hebt gehoord.”

Ze stond op, stak haar hand uit die hij automatisch pakte.
“U hebt het nu gehoord”, verklaarde ze voldaan. “U kunt nu nooit meer zeggen dat u het niet hebt gehoord. Vanaf nu kunt u een echte waarheidsverdediger zijn.”
Ze draaide zich om en wandelde het kantoor uit, hem met opgetrokken wenkbrauwen achterlatend.

Hij zat nog steeds in dezelfde houding op dezelfde stoel toen hij de bekende, kordate voetstappen hoorde naderen. Langzaam kwam hij overeind om haar deelgenoot te maken van de bizarre spreekuurbezoekster.
Ze had een van haar vintagedagen en oogde jong en fris.
Hij groette haar zoals hij alleen haar groette.
In de fractie van een seconde waarin Angelica daarop haar ogen neersloeg, ontging hem het lijntje paars dat op haar linker ooglid was achtergebleven.

Poes

het is oorlog in Syrië poes.
wat betekent oorlog?
oorlog is een bezette plek
die wordt bevochten met een waarheid
weerbarstig als een snorhaar.

wie de winnaar is?
homo homini lupus poes.
dat moet afdoende reden zijn
voor weggestreden leefplaatsen
van eens.

of er daardoor is gevallen,
of er sprake is van leegte,

reken maar.

je bent gevallen
tijdens de oorlog in Syrië poes

onwetend

dat aan vallen in een oorlog-
zonder-reden meer belang
wordt toegedicht dan aan vallen
in een oorlog met een reden
die met oorlog niets van doen heeft,

laat staan poezen.

*

Voor Sproeteke
01-01-2001 – 16-11-2013

Naämloos

En er waren vele melaatsen in Israël
ten tijde van den profeet Elisa
en geen van hen werd gereinigd, dan Naäman
de Syriër – Lukas 4:27

onrein, onrein. je kiest van alle paden
en zonder omweg steeds het hazenpad.
je land is klein en groot
je nood: je bent een jood

van voor de holocaust.
er is nog geen excuus of mondiaal
applaus dat kolossaal
genâ-bij-voorbaat pleit.

je strijd is tegen sneeuw
die niet voor zon verdwijnt
en die je op een aalmoes
weg doet teren.

de godsman die het tij voor je
kan keren, gaat – overmaat van ramp –
aan je voorbij, en opteert onbegrijpelijkerwijs
een strijder uit vijandelijk Assyrië.

je ziet hoe die beschikt over Abana
en Parpar zich megalomaan
tot zevenmaal toe wast in je Jordaan
en rein herrijst – doch tot zijn spijt

doet thans nog steeds
de vloek die toen van kracht was
je strijden voor de val
van zijn Damascus.

Voor straf

druk je neus er bovenop. dit zo ononderhouden
leven is je eigen voze vrucht. verwijs ernaar.
geef anderen de schuld als vrouwen, moe-
ders; onbeminners, ondervoeders. zucht

en noem jezelf geknevelde en kijk of soms
de hemel berst. niets is er wat je lest of
lust of langzaam losser maakt. van wachten
word je week en jarenlang onaangeraakt. Lees verder

You’re still the one

het lijkt erop dat het nu toch gelukt is
dat we gekomen zijn over die verre grens
juist als men denkt dat alles nu wel stuk is
krijgen we onze allergrootste wens

de weg voor ons is lang en vol met kuilen
een vreemde toekomst gaan we tegemoet
maar ‘k weet dat jij er bent als ik soms struikel
of als de berg te steil is voor mijn voet

men spotte met ons toen we met z’n beiden
begonnen aan die eindeloze reis
‘het lukt hen nooit’ was wat ze telkens zeiden
‘ze raken elkaar halverwege kwijt’

maar kijk nu eens hoever we dusver kwamen
hoeveel orkanen we hebben doorstaan
en boven alles zijn we nog steeds samen
nog even en de dageraad breekt aan

gelukkig maar dat we geen aandacht schonken
aan al die lege woorden om ons heen
aan al die valse tonen die er klonken
en die niets wilden dan wij twee uiteen

jou heb ik eens voor eeuwig trouw gezworen
in voor- en tegenspoed heb jij mijn ja
jij bent degene bij wie ik wil horen
mijn hele leven lang en ook daarna

ik heb je liever dan mijn liefste dromen
en zonder jou ben ik mezelf ook kwijt
laat nu maar komen wat er nog moet komen
samen zijn wij op alles voorbereid

ik ben zo blij dat we toch zo ver kwamen
en dat we nu zo sterk staan met elkaar
ja dit zijn wij, na alles hier nog samen
we hebben ’t beste voor het laatst bewaard

(7 juli 1998)
voor J.W.
met dank aan Shania Twain

Erfenis – III

ik zwalk wat rond op je verlaten stek. zoals het
de verlatenheid betaamt is het er nogal stil
en met een grote keelbrok slik ik mijn gebrek
aan barrières weg. de dood sluit af, dat wist je
ook, toch is nog alles open hier als zeg je kijk,
een balk, wat woorden en een kantlijn
met mijn leeftijd en mijn naam, wel duizend
kan ik worden hier, de tijd gaat marginaal
wel door dus haast je vooral niet. zo zal ik
doen. onaf als dit gedicht herlees ik wat je liet.

(16 september 2008,
voor de verdwenen dichter)

Groene dood

zo zal het zijn: je zult je eigen aarde
gaan ontscheppen. je stoot je lijf,
die kleine rib, weer in het vat
waaruit het eens gegoten. zo heb je
het besloten, zo zal het daarom zijn.

je gaat op enkele reis, eenzame kruis-
tocht in versleten spijkerbroek. je huis
is nu op elke hoek, nooit had je groter
vloer en dak. vogelvrij om plaats te
kiezen, kies je plaats onder een tak.

en ergens, ver buiten je buiten, rebelleert
nog steeds je duivel. je hoorde hem
te lang. nu hang je hem aan bomen
die niet langer kennis heten. je gaat
gewoon vergeten wat je tegen beter wist

met poezen in je hoofd voel je al
doezelend het gras geen gras
maar afdruk van je kussen, laken
en matras. je wenst je lichaam
welterusten, het is nu moe en toe

aan slaap. al slapend neem je dagen
wraak op honden, handen, tegenspraak
en hoe het je verliet. niets kan je nu meer
hinderen. geen verdriet, je sluit nu af.
iets zal je afgesloten vinden.

(1 augustus 2008)

voor j., met deernis